Carel Visser / 2004
Carel Nicolaas Visser (Papendrecht, 1928 – Le Fousseret, 2015) is beeldhouwer, graficus en tekenaar. Aanvankelijk studeert hij architectuur aan de TU Delft, gevolgd door beeldhouwkunst aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Begin jaren vijftig vestigt hij zich in Amsterdam en volgen de eerste exposities. Visser is visiting professor aan de Washington University in Saint Louis (VS), doceert aan de Koninklijke Academie in Den Haag en aan de Ateliers ’63 in Haarlem.
Abstractie, natuur en assemblages
Vissers vroegste beelden zijn geabstraheerde mens- en dierfiguren, zoals Stervend paard (1949); een werk dat samengesteld is uit ijzeren pijpen en platen die Visser uitsnijdt en aan elkaar last. De hoekige manier waarop de onderdelen met elkaar verbonden zijn en de opengesperde mond van het ‘dier’, geven het beeld een grote expressie. Begin jaren zestig wordt zijn werk abstracter en houdt hij zich onder meer bezig met kubusvormen. Ook laat Visser zich inspireren door de natuur en gebruikt hij natuurlijke materialen als hout, wol, zand, veren en botten. Zijn latere werk wordt nog vrijer. Dit komt onder andere tot uiting in het assembleren van natuurlijke met industriële materialen, zoals autobanden, olievaten en autoruiten. Deze objets trouvés ordent Visser tot bijzondere beelden, waarin herhaling, spiegeling en variatie een rol spelen.
Constructivist
Visser wordt gezien als een van de belangrijkste (constructivistische) beeldhouwers van Nederland. Naast vele opdrachten voor de openbare ruimte, hebben musea zoals het Kröller-Müller Museum, Museum Boijmans van Beuningen en het Stedelijk Museum werk van hem aangekocht.
Meer | 26 april 2006
Meer is sterk geleed, op basis van een meanderende structuur. Dit beeldmotief doet denken aan water, en hoe een rivier zich bochtig door het landschap slingert. Dit past bijzonder goed bij de sprengen en beken in Apeldoorn, en specifiek de Badhuisspreng waar het Sprengenpark naar vernoemd is. Op de vraag “Wat maakt een beeld tot een goed beeld?” antwoordt Visser: “Een beeld mag vooral niet te veel zijn. Voor mij is een ideaal beeld horizontaal. De kracht moet net zo in de lengte als in de breedte zitten. Het moet elkaar niet opheffen, maar versterken.”
We weten de aarde
Dat horizontale is ook kenmerkend voor Meer. Visser betrekt de grond waarop dit beeld staat bij het werk, zoals ook de door hem bewonderde Constantin Brancusi voor hem doet. “Dat aardse is belangrijk, omdat de aarde het enige is wat we weten, waar we op lopen. Het bovenaardse weten we niet. Misschien is het er, misschien niet, dat weet niemand.”
Meer is samen met de beelden van de overige winnaars te zien in het Apeldoornse Sprengenpark (Sprengenparklaan, tussen de Asselsestraat en de John F. Kennedylaan). Een overzicht van deze beelden vind je op de plattegrond, waar ook een korte wandelroute op is aangegeven.
Dynamische ring
De ring die Ralph Bakker (Kurten – Duitsland, 1958) voor Carel Visser maakt, is uitgevoerd in zilver, 18-karaats goud en niëllo. Dit is een legering van zilver, koper, lood en zwavel. Het woord niëllo is afgeleid van het Latijns nigellus, dat ‘zwartachtig’ betekent. De verhoudingen van het mengsel variëren, waardoor de kleuren uiteen kunnen lopen van zachtgrijs tot zwart.
Over zijn ring zegt Bakker in retrospectief: “Dit ontwerp is ingebed in mijn toenmalige ontwerpen (2004) en draagt overduidelijk mijn handschrift.”
Zijn sieraden staan in een klassieke juwelentraditie en getuigen van groot technisch vakmanschap. Zijn vormentaal komt voort uit een andere, persoonlijke benadering.
Typerend voor zijn sieraden is dat ze vaak opgebouwd zijn uit losse elementen, gemaakt uit email of tantaal. De ring voor Visser bestaat uit drie rijen losse ronde elementjes in zilver/niëllo, die met elkaar verbonden zijn door ringetjes van goud. De losse verbinding maakt de ring enigszins dynamisch.
Zo is het
Breek hier je benen. Voormalig water
huppelt nieuwsgierig, verliefd door het gras.
Een lenig meisjeslijf. Stoot hier je tenen
tot bloed aan die badkuip vol jeugdschuim.
De beeldhouwer, lefgozer, tovert uit leven
een kist vol gedenkgoed, laat hem lomp neer
Naast een pad. Hij liet beweging stollen
in staal, beet op zijn kiezen, ramde
met kracht avontuur in een mal.
Andersom gaat het niet. Loodzwaar
blijft hier eeuwig liggen wat stroomde,
ons lief was en niet verdwijnen zal.
Anna Enquist (1945)
Carin Reinders, Nicolaas Dings, Brita Bakema en Sandra Spijkerman.